Half negen ’s ochtends in de hal van Schiphol. Het is er vol mensen; ik ben op zoek naar iets te drinken; iets warms en troostrijk, bijvoorbeeld koffie. Ik plof neer in zo’n vaag koffie-en-wat-om-te-eten-op-schiphol-geval. Hoeveel mensen daar op deze ‘normale’ zaterdag ochtend rond lopen, word me nu pas duidelijk.
Mensen; of ze vertrekken of net terug komen of alleen maar iemand komen af zetten of juist komen halen, is soms geheel onduidelijk. Jammer is dat eigenlijk. Dat je niet weet wat al die mensen er nu allemaal doen: ik wacht alleen maar op de trein, ik ga niet op reis, ik zal geen emotionele weerziens-scène beleven vandaag; dat weet ik, dat is alom geweten, maar die anderen! Ik wil weten wat die anderen daar doen..
Eigenlijk zou iedereen een klein kaartje op zijn voorhoofd moeten plakken met ‘wie hij of zij is’ ‘wat hij/zij hier doet’ ‘en zo ja, waarom’. Heerlijk dat idee; stel je voor: ‘Schutters, Jan: 49 jaar: zwaait zijn dochter uit die naar Afrika reist om daar een school te helpen bouwen’. En dan tussen haakjes de emotionele toestand; ‘Ja, ik heb het er moeilijk mee, en ja, ik ben bang dat ze verliefd wordt/vermoordt wordt/verkracht wordt..’. Geweldig toch? Oké, ook beangstigend; aangezien ik zelf dan ook zo’n kaartje op mijn voorhoofd moet plakken.. En dan kan ik de mens in zijn natuurlijke habitat plots minder goed begluren en observeren, omdat dat kaartje mij er pijnlijk van bewust maakt dat ook ik één van hen ben: ‘Stocker, Marit: 26: op de terugreis van Amsterdam naar Antwerpen’ en dan tussen haakjes ‘Beetje moe en katerig, en begluurd jullie allemaal even graag!’. Ach, fantaseren kan geen kwaad, toch?
Mijn trein is. Ik zit. Gelukkig, een rustige trein.
Een gezette vrouw wil plots, want ik luisterde net naar dat éne mooie nummer, naast mij neer ploffen; mijn tas die daar nog lag, had ze (expres?) niet gezien. Nog net op tijd kon ik mijn tas voor het dreigende gevaar behoeden en trek het net op tijd onder haar vandaan. Als ze zit kijk ik haar aan en zij kijkt mij aan. Iets heel normaals; dat doen mensen wel meer, elkaar aankijken. Maar dan: ‘De Blik’. Ze kijkt me aan met ‘De Blik’. Geweldig.
Een fantastische eigenschap van de mens is zijn vermogen tot ‘De Blik’. Mensen verraden vaak zonder enig gevoel van schaamte plots hun diepste zielroerselen en grootste ergernissen door het geven van De Blik. De Blik kan van alles zijn. Je kan ze er op betrappen, ook zelf op betrapt worden, maar niets is heerlijker dan die blikken te vangen en te analyseren tot je hun ware aard met zekerheid vast kan stellen.
Bijvoorbeeld ‘Waar zou je in godsnaam aan denken als je zò uit het raam kijkt?’ ‘Zou ze verliefd zijn of alleen geil?’ ‘Waarom kijkt juist die man mij nù zò aan?’ En na een paar flinke overpeinzingen heb ik na één trein reis een tiental karakters gezien, geanalyseerd en doorgrond. (Fantasie is een al even prachtige eigenschap als het vermogen tot het geven van ‘De Blik’.)
Heerlijk; de mens. En wat is mijn beroep toch prachtig; ik doe niks en zie alles.. Aapjes kijken in de dierentuin is er niks bij.